Ketzpraat

Over een gewone bijzondere familie en andere mensen

Held

Als kind was mijn vader mijn grote held en dat is altijd zo gebleven. Hij is een van de meest geweldige mannen die ik ken en ik zou wensen dat iedereen zo’n vader heeft. Maar ook superhelden worden oud en mijn vader is inmiddels tachtig.

Het ouder worden vindt hij niet erg, hoogstens af en toe vervelend. Het denken gaat niet meer zo vanzelfsprekend en ook het lijf gaat niet meer zo snel als hij wil. De krachtige tred waarmee hij vroeger het leven tegemoet trad  is niet meer af te zien aan de sloffende pas waarmee hij zich tegenwoordig voortbeweegt. Maar hij blijft mijn grote held.

Zoals Atlas de wereld op zijn schouders droeg, zo zeulde mijn vader mij regelmatig met zich mee. Niet alleen omdat ik te lui was om te lopen, maar ik was ook nieuwsgierig naar alles wat er gebeurde. En vanaf zijn schouders kon ik de hele wereld zien. In mijn ogen was mijn grote held wel 2 meter lang en als kind waande ik me compleet veilig, daar, torenhoog. Niets kon mij gebeuren, want mijn vader had een brede rug en sterke schouders en zou me nooit laten vallen.

Pas jaren later begreep ik dat dit niet zozeer aan zijn sterke postuur lag, maar aan de pure, onvoorwaardelijke liefde van een vader voor zijn dochter.

Advertenties

Pyjamadag

In de ogen van de Heer is zondag een rustdag.  Nu vind ik het lastig om me aan deze christelijke moraal te houden omdat ik mijn atheïstische principes niet wil verloochenen, maar soms moeten principes gewoon wijken. Op zondag  heb ik dus regelmatig een pyjamadag.

Vandaag de dag is een  pyjamadag iets anders dan vroeger. Vroeger bestond dat niet. Niemand zat overdag in zijn pyjama. Als het wel gebeurde, dan was je echt ziek en had je al een paar dagen belabberd in bed gelegen. Pas als de koorts zakte mocht je in je pyjama naar beneden.  Zo lag ik vroeger wel eens na een griep in mijn pyjama op de bank. In mijn ene hand een knuffel, want die hoorde nu eenmaal bij het concept pyjama en met mijn andere hand zoog ik op mijn duim. Ondertussen verveelde ik me rot, want er was geen middagtelevisie en een spelletje met mijn broers ontaardde vaak in ruzie. Ik was dan meestal ook vliegensvlug beter, zodat ik weer buiten kon spelen.

Tegenwoordig heb ik geen pyjama, dus eigenlijk is het een pyjamaloze pyjamadag. Maar ja, zonder die duim en die knuffel is er eigenlijk niet veel aan. Dus ga ik meestal maar opruimen en schoonmaken. Uit atheïstisch oogpunt toch wel een mooi rebels gebaar ten opzichte van de christelijke zondagsrust.

Beste vriend

Twintig jaar geleden stond ik op kerstavond met mijn dronken kop bij hem voor de deur.  Ik had veel te veel gedronken en de weg naar huis leek eindeloos.  Ik was misselijk en ik moest erg nodig plassen. Het appartement van Bert lag halverwege mijn huis, dus ik besloot bij hem aan te bellen. Hij wilde me niet binnenlaten, want hij had een afspraak  die avond. “ Bert, je bent mijn allewebestwe  vriend”, bralde ik door de intercom, waarop hij de deur voor mij opendeed.

Bert ging koffie voor mij zetten. Ondertussen hing ik boven het toilet en kotste alle feestelijkheden van de kerstmiddag eruit . Hierbij stootte ik mijn hoofd zo hard tegen de toiletbril dat ik de hele kerst met een rode stip op mijn voorhoofd  heb gelopen.  Daarna ben ik in een hoekje  in slaap gevallen.  Na een uurtje werd ik wakker, dronk  koffie en vervolgde mijn weg richting huis.

Een week later kreeg ik van Bert de foto’s te zien die hij stiekem van me had genomen. Het waren afschuwelijke foto’s.  Met uitgelopen mascara en mijn mond open lag ik daar als een hoopje ellende mijn roes uit te slapen.  Zulke foto’s kan alleen je beste vriend maken,  want  vrienden ben je  in goede, maar ook in slechte tijden.

Bert heeft dat goed begrepen.

Wereldplek

Het was geen liefde op het eerste gezicht tussen Metropool en mij. En terwijl ik naar de band kijk en een slok wijn neem, kan ik bijna niet geloven dat ik me ooit hier niet op mijn gemak heb gevoeld. Tegenwoordig is dit mijn favoriete plek waar ik veel tijd doorbreng, maar dat is weleens anders geweest. Vroeger kwam ik hier niet graag.

Het was er te donker, rook naar wiet en er hing vaak een penetrante zweetlucht. Ondanks dat Koningin Beatrix in de jaren tachtig de opening verrichtte, was het koninklijk elan, in mijn ogen, ver te zoeken in dat duistere obscure hol. Heel af en toe ging ik wel eens met iemand mee naar een concert, maar het was alsof ik op een verkeerd feestje was beland. Ik voelde me als discotut helemaal niet thuis tussen de mensen met hun zwarte sobere kleding, wiens muziek vertelde hoe verrot de wereld was. Met mijn optimistische kijk op het leven en mijn vrolijke inborst leek ik wel uit een andere wereld te komen.

Gelukkig heelt tijd niet alleen wonden, maar dicht het ook kloven en overbrugt afstanden, want in de loop der jaren is de muzieksmaak ontwikkeld en heeft de doelgroep zich verbreed. Ergens tussenin hebben Metropool en ik elkaar gevonden.

Soms, heel soms moet liefde gewoon nog even groeien.

Stilte

Zo lang ik me kan herinneren schreeuwde mijn oma tegen opa, want hij hoorde erg slecht. Mijn oma heeft altijd haar harde luide stem gehouden, hoe zacht en liefdevol de boodschap ook was. “BOUK, JE MOET DE TELEVISIE ZACHTER ZETTEN, ANDERS KAN DAT LIEVE KIND NIET SLAPEN!, hoorde ik haar met luide stem vanuit mijn bed.  En dan wist ik dat het weer een fijne logeerpartij zou worden.

Als kind logeerde ik in de vakantie regelmatig bij mijn grootouders. Dat waren heerlijke tijden. Met mijn opa had ik een speciale band, want ik was zijn enige kleindochter. Hij leerde me klaverjassen  en we speelden vaak scrabble. Zijn slechte gehoor kwam dan goed uit. Oma en ik bespraken  zachtjes welke letters we nodig hadden.  Ik won vaak en kreeg van hem na het uitroepen van mijn overwinningskreet een hele dikke knipoog.

Vuurwerk had er in zijn jeugd voor gezorgd dat hij de rest van zijn leven doof was aan één oor. Een gehoorapparaat wilde hij niet, want dat vond hij maar vervelend. Ik denk dat hij het ook wel prettig vond om niet alles te horen.  Hij voelde zich comfortabel bij die stilte. Tijdens zijn crematie had hij dan ook geen muziek gewild.  Zelfs geen mensen.  Met zijn vijven stonden we voor zijn kist, in een grote lege ruimte.

De stilte was oorverdovend.

Lucifergesticht

Ik heb als kind slechts één keer in mijn leven straf gehad. Ik weet niet meer waarvoor, maar ik moest zonder eten naar bed. Algauw stonden mijn beide broers op mijn kamertje met wat achterovergedrukte koekjes. Ze vonden me zielig. Droge biscuitkruimels in bed is natuurlijk een veel ergere straf, maar de kinderlijke solidariteit is achteraf ontroerend.

Ik was geen makkelijk kind. Ik heb weleens een tik of zelfs een klap gehad, maar dat gebeurde uit onmacht. Het opvoedkundige effect ging veelal verloren in mijn brutale blik, die het gekrenkte pedagogische ego van mijn ouders compleet vermorzelde. Als ik een grens overging, dan werd mij geduldig uitgelegd welke consequenties dit had. Ik knikte dan quasischuldbewust, zei sorry en beloofde dat ik het nooit meer zou doen. Straf kreeg ik niet.

Als mijn oma weer eens hoorde over mijn puberstreken zei ze: “Je mag blij zijn dat ik je moeder niet ben.” En dat was ik. Mijn grootouders hanteerden namelijk een heel andere methode om mijn moeder in het gareel te houden. Op de schoorsteenmantel stond een brief, waar met grote letters “LUCIFERGESTICHT” op stond. Een fictief oord, waar ze naar toe gestuurd zou worden als ze zich niet gedroeg. Deze dreiging bleek effectief, want mijn moeder is de allerliefste.

Maar ergens, ergens had ik haar anders gegund.

Moederliefde

Mijn oudste broer was vroeger een echte hardrocker. Hij had lang haar, speelde elektrische gitaar, werd aan één kant doof en gaf al zijn geld uit aan hardrockplaten. We hoorden regelmatig loeihard gitaargejengel vanuit zijn donkere zolderkamer. Mijn ouders vonden die harde muziek maar niks, maar mijn moeder naaide vol liefde de bandnamen op zijn spijkerjack.

Het hardrockelan zwakte iets af toen hij zijn haar kort knipte. Alsof met het verdwijnen van het lange haar ook zijn toewijding verdween. Toen hij ook nog interesse ging tonen in klassieke muziek was de metamorfose compleet. Deze belangstelling ontstond, doordat hij mocht figureren in een opera; Faust. Hij was soldaat en moest een paar keer over het podium lopen. Ernst Daniël Smid deed ook mee.

Het hele gezin was apetrots en we gingen allemaal kijken. Drie uur lang tuurden we naar een podium waar we soldaten zagen lopen, maar we hadden geen idee wie van hen mijn broer was. Ik heb weinig van de opera meegekregen, omdat mijn moeder er constant doorheen praatte. Ze vond zichzelf een ontaarde moeder, omdat ze Lars er niet tussenuit kon pikken. ‘Had hij nog maar lang haar, dan herkende ik hem wel,’ verzuchtte ze. ‘Kijk mam, daar links, met dat groene baretje!’

Ze keek en straalde, alsof ze hem weer voor het eerst zag.

Dromen

Mijn ene broer kan goed gitaar spelen. De andere drumt al jaren en heeft zelfs al vijf cd’s gemaakt. Omdat ik als kind alles wilde doen wat mijn broers ook deden, moest ik ook zo nodig een instrument bespelen. Het werd de akoestische gitaar.

Mijn ouders wisten natuurlijk van meet af aan dat het een ‘mission impossible’ zou worden, maar wilden de muzikale ontwikkeling van hun jongste spruit niet in de weg staan. En zo fietste ik een jaar lang met de oude gitaar van mijn broer op mijn rug naar mijnheer Wagenvoort. Deze had de uitdaging mij wat muzikaliteit bij te brengen, zodat ik in de voetsporen van Janis Joplin kon treden. Net als Janis was ik ook een grote schreeuwlelijkerd met een bril. Mocht ik nu ook muzikaal blijken, dan zou ik het nog ver kunnen schoppen.

Maar mijn grote droom werd ruw verstoord toen mijnheer Wagenvoort mijn ouders belde met de mededeling dat ik geen greintje talent had en of ze mij alsjeblieft van gitaarles af wilden halen. Ik kon na één jaar les en veelvuldig oefenen slechts ‘Daar was laatst een meisje loos’ spelen. Tot zover mijn muzikale loopbaan.

Elke keer als ik Janis hoor zingen moet ik daar weer even aan denken. Zij had weliswaar de muzikale carrière, maar ik – ik kan nog dromen.

Vergankelijk

Mijn buurtkindertjes komen na schooltijd enthousiast de straat in gefietst. Ik ben druk bezig om mijn voortuintje ietwat te fatsoeneren. ‘BUURVROUW ILONKA,’ gilt mijn buurjongetje Julian, ‘WIJ HEBBEN EEN HANDTEKENING VAN DAAN!’ Ik heb werkelijk geen idee wie Daan is en waarom het hebben van zijn handtekening reden is voor deze uitgelaten stemming. Alsof hij mijn gedachten kan lezen schreeuwt hij er gelijk achteraan: ‘DAAN, VAN MAINSTREET!’

Hij krijgt bijval van de rest die allemaal door elkaar beginnen te praten om hun verhaal te vertellen. Een buurmeisje begint een liedje te zingen en ik herken het als een brouwsel van een populair boybandje dat veel kinderhartjes sneller doet kloppen. ‘Gaaf hoor!’ zeg ik in mijn rol als meelevende buurvrouw. ‘Die moet je goed bewaren, want die brengt later geld op.’ Ik zie ze dromen en zich rijk rekenen, wat hun enthousiasme nog groter maakt.

De kinderen laten vol trots een notitieblaadje zien waar met een kinderlijk handschrift Daan op geschreven staat. De letter n is voorzien van een sierlijke krul waar waarschijnlijk veel op geoefend is. ‘Willen jullie ook een handtekening van mij ?’ vraag ik. ‘JAHAA!’ roepen ze vijfstemmig. Ineens komt het besef. ‘Ben jij eigenlijk wel beroemd?’ ‘Nu nog niet, maar dat komt wel,’ antwoord ik vastberaden.

Terwijl ik mijn naam op vijf papiertjes schrijf, is Daan vergeten.

Voornaam

Op een dag besloten mijn broers en ik tijdens het eten om onze naam te veranderen door hem om te draaien. Zo werden wij ineens het gezin Reztek, dat gelijk deed denken aan tijden van het aloude communistische Sovjetregime. We konden ons zo voorstellen dat er in het archief van de Binnenlandse Veiligheidsdienst een dik dossier van de roemruchte, voorname familie Reztek was verzameld en dat hun avonturen door mensen zoals Ludlum waren opgetekend.

Hoewel onze achternaam het nodige communistische elan uitstraalde, deden onze voornamen anders vermoeden. De naam Aknoli klonk meer als een bacterie waar je een fikse buikgriep aan overhoudt, dan als de jongste telg uit een oud-Russisch bolsjewiekengeslacht. Mijn broers Sral en Cram leken eerder nazaten van een woeste Vikingclan uit een oud-Noorse saga, al deden hun eetgewoonten uit die tijd, waaronder het vele gesmak, eerder vermoeden dat ze rechtstreeks van een neanderthalerfamilie afstamden.

Mijn vader vond het allemaal erg grappig. Als hoofd van de familie had hij een echte stoere Russische naam die bij onze nieuwe familiegeschiedenis paste. Naj Reztek. Zijn daden hadden groots beschreven kunnen worden in elk geschiedenisboek. Dat wist je meteen als je zijn naam hoorde.

Alleen mijn moeder vond het niet leuk en deed niet mee. Na het eten ging ze snel de tafel afruimen. Haar naam is Ada.